Klassieke Academie voor beeldende kunst - Groningen

Statement en Stellingen

Statement

Wat de titel betreft:

Tot de 2e wereldoorlog leefden klassieke en modernistische vormen van kunst vreedzaam naast elkaar met een redelijk wederzijds respect.

Na de oorlog veranderde dat: klassiek kunstonderwijs werd afgeschaft, er ontstond een felle richtingenstrijd, waarin met name het experimenteel-modernisme de kunst wilde monopoliseren.

Het laatste met veel geweld en gescheld, zeker in de jaren 70 en 80 (ondergetekende is, eind jaren 70, als lid van de landelijke Raad vd Kunst, ter plekke voor 'fascist' uitgemaakt, omdat ik vond dat Henk Helmantel heel aardig kon schilderen. Henk gold toen al -met Anton Pieck- als icoon van de 'foute schilderkunst').

Sinds de jaren '90, maar vooral na de eeuwwisseling, is de klassiek-figuratieve kunst bezig met een comeback (hoewel bepaald niet overal met klassiek vakmanschap, dat wordt nog niet alom herkend of zelfs gewantrouwd).

Daar waar het klassiek vakmanschap betreft mag je die comeback betitelen als een 'wedergeboorte' in overdrachtelijke zin (het is nooit weggeweest maar het leefde wel in de schaduw).

Wat de opzet betreft:

Het is hoog tijd om de discussie open te breken.

De ideologische tegenstelling (post)modern vs klassiek is allang niet meer relevant. Een discussie over de kernen van kwaliteit is dat wel.

Temeer omdat ontwikkelingen in de naoorlogse kunst hebben geleid tot verlies van respect en waardering voor kunst bij een groot deel van de bevolking, wat zich nu vertaalt in een desastreus kabinetsbeleid.

Wat het noorden betreft:

Dank zij het kunstonderwijs op de Academie Minerva te Groningen in de jaren '70 en '80 is Noord Nederland in een unieke positie gekomen. Minerva boodt in die jaren namelijk (als enige in vrijwel heel West-Europa) een 'klassiek' naast een 'post-modern' onderwijscurriculum.

Er wonen dan ook heel veel klassiek geschoolde kunstenaars in het noorden van Nederland, meer dan in welke andere regio dan ook. Een scholing die zich vertaalt in beeldende kwaliteit.

Helaas stopte Minerva met dit curriculum eind jaren '80 (beeldhouwen), begin jaren '90 (schilderen).

Reden om in 2005 als kunstenaarsinitiatief een particuliere, op klassieke vaardigheden gerichte, ‘Klassieke Academie voor beeldende kunst' op te richten.
Deze http://www.klassieke-academie.nl is de initiator van de ‘Renaissance in het noorden'.

Tom S. Hageman,

 Initiator en algemeen coördinator van de Klassieke Academie voor beeldende kunst

 

 

Stellingen

30 stellingen bij ‘de Renaissance in het Noorden'
Onderstaande ‘Stellingen' behandelen ‘kunst en wetenschap' in het algemeen, maar de ‘beeldende kunst' in het bijzonder.

I: over de bloei van kunst en wetenschap

Stelling 1  
Kunst en wetenschap komen tezamen tot bloei

Stelling 2  
Een dynamische koopmansgeest brengt kunst en wetenschap tot bloei

Stelling 3 
Voldoende vraag brengt kunst en wetenschap tot bloei

Stelling 4  
Een betrokken overheid brengt kunst en wetenschap tot bloei

Stelling 5  
Een gelaagde structuur brengt kunst en wetenschap tot bloei

Stelling 6
Verscheidenheid brengt kunst en wetenschap tot bloei.

Stelling 7
Risicovol initiatief brengt kunst en wetenschap tot bloei

II: over kunst en ideologie

Stelling 8
Ideologieën kweken valse wetenschap en slechte kunst

Stelling 9
Totalitaire ideologieën veroorzaakten een schisma in de kunst.

Stelling 10
Na-oorlogse beeldende kunst berust op niet-artistieke belangen

Stelling 11
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door politieke propaganda

Stelling 12
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door bekrompen ideologie

Stelling 13
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door winstbejag

Stelling 14
Propaganda, ideologie en winstbejag vormen een drie-eenheid

Stelling 15
De tegenstelling modern versus klassiek is allang achterhaald

III: over kunst en publiek

Stelling 16
De  ‘artistieke middenklasse' is de basis voor de bloei van de kunst.

Stelling 17
Artistieke niveau's staan los van sociale geledingen

Stelling 18
Kennis van kunst is geen voorwaarde tot kunstgenot.

Stelling 19
De huidige kunst moet het maatschappelijk respect herwinnen.

IV: over  kunst en kunstonderwijs

Stelling 20
Kunst berust op kunde

Stelling 21
Kunstenaars zetten zich graag af tegen de eigen opleiding

Stelling 22
De ontmanteling van het klassieke kunstonderwijs was onterecht

Stelling 23
Gevoel is geen onderwijsdoel

Stelling 24
Idee is geen onderwijsdoel

V: over  kunst en kunstpolitiek

Stelling 25
De ontmanteling van de ‘artistieke middenklasse' is onterecht

Stelling 26
Het kunstbeleid van de Rijksoverheid berust op foute uitgangspunten

Stelling 27
Het ministerie van cultuur is de natuurlijke vijand van de kunsten

VI:  over kunst en oorsprong

Stelling 28  
In de kunstgeschiedenis rekent elke eeuw af met de voorgaande

Stelling 29
Wanneer de kunst vastloopt, wordt teruggegrepen op haar oorsprong

Stelling 30
De tijd is rijp voor de wedergeboorte van de kunst.

 

30 stellingen bij ‘de Renaissance in het Noorden'
Toelichtingen

De stellingen zijn in 6 groepen verdeeld:

"Over de bloei van kunst en wetenschap" behandelt de samenhang tussen een maatschappelijke context en de (mogelijke) bloei van kunst en wetenschap.
"Over kunst en ideologie"
 keert zich tegen iedere vorm van ideologische bemoeienis in de kunsten.
"Over kunst en publiek" verdedigt verscheidenheid en gelaagdheid bij zowel de kunsten als het publiek
"Over kunst en kunstonderwijs" bepleit de herinvoering van onderwijs in artistieke vaardigheden.
"Over kunst en kunstpolitiek" gaat over het politieke falen inzake de kunsten.
"Over kunst en oorsprong" bespiegelt de onontkoombaarheid van historische processen.

I: over de bloei van kunst en wetenschap

Stelling 1  
Kunst en wetenschap komen tezamen tot bloei
Kunst en wetenschap zijn elkaars tegenpolen. 
De wetenschap zoekt naar objectieve waarheden (hoewel, welke? nu zelfs de lichtsnelheid niet meer absoluut is?) is beredenerend en streeft naar bewijsvoering. 
De kunst moet het hebben van het subjectieve, van verbeelding, emotie, intuïtie en van overtuigingskracht. 
Maar het bijzondere van tegenpolen is dat ze elkaar onder spanning kunnen zetten. Dan kan er van alles gaan bloeien. 
En dan blijken de vertrekpunten dichter bij elkaar te staan dan het ogenschijnlijk lijkt. 
De geschiedenis levert tal van voorbeelden hoe verbeelding de wetenschap hielp en kennis de kunst..

Stelling 2  
Een ondernemende koopmansgeest brengt kunst en wetenschap tot bloei 
De geschiedenis van de kunst kent een aantal perioden waarin kunst en wetenschap tot een opmerkelijke bloei geraakten, zodanig dat zij tot op heden van invloed blijven.
Bijvoorbeeld het antieke Griekenland vanaf ca. 500 v C, of Italië tijdens de renaissance (vanaf ± 1420), of de Nederlanden in de 17e, de ‘Gouden Eeuw'
Dit waren aldoor clusters van stadstaten, die tot rijkdom kwamen door de handel (en daarnaast in aanhoudende oorlogen waren verwikkeld). 
En het waren alle drie  geldeconomieën, gestuurd door een dynamische  middenklasse van zakenlui en kooplieden.

Stelling 3  
Voldoende vraag brengt kunst en wetenschap tot bloei
Geld, maar meer nog erkenning en succes (in geld uitgedrukt) hebben een stimulerende uitwerking op kunstenaars. 
En een eenmaal opgewekt enthousiasme kan een wisselwerking tussen kunstenaar en koper op de markt creëren.
Die markt was van oorsprong een opdrachtenmarkt, pas sinds ca. 1500 ontwikkelt zich daarnaast (te beginnen in de Nederlanden) een ‘vrije markt' waarin kunstenaars voor eigen rekening en risico producten maken en die vervolgens ter verkoop aanbieden.
Zeker in Nederland werd dat een succes: er ontstonden tal van specialismen voor die markt (van interieurs tot ijstaferelen) en tal van buitenlanders  verbaasden zich in brieven en dagboeken erover hoe overal, bij bakkers, slagers, waar al niet, schilderijen hingen. Voor hoge prijzen gekocht.

Stelling 4 
Een betrokken overheid brengt kunst en wetenschap tot bloei 
Vanaf de ‘burgerlijke revolutie' in Frankrijk komt daar in de 19e eeuw de beeldende kunst tot grote bloei, mede door overheidsbeleid. 
Een belangrijke impuls was de jaarlijkse ‘Salon', een grootschalige manifestatie in Parijs, waarin duizenden kunstenaars werden tentoongesteld, die honderdduizenden bezoekers trok en waarbinnen de Franse overheid prijzen uitdeelde en als belangrijke koper optrad.  
Maar ook de burgerij kocht. 
En tot halfweg de 20e eeuw blijft Parijs het artistiek centrum van de wereld (zeker in de beeldende kunst).

Stelling 5  
Een gelaagde structuur brengt kunst en wetenschap tot bloei 
Uit de sociale structuur van de genoemde bloeiperioden blijkt dat vooral een sterke middenklasse de kunst tot bloei brengt. 
In de samenleving maar ook in de kunst zelf.
In de Nederlandse  ‘Gouden Eeuw' waren ca. 3.000 kunstenaars actief. 
Dit op een bevolking van anderhalf miljoen mensen (naar de tegenwoordige tijd vertaald 30.000 kunstenaars). 
De historie erkent enkele tientallen ‘Grote Meesters' en duizenden ‘Kleine Meesters'. 
Ze hebben bij elkaar miljoenen schilderijen gemaakt, die nu overal in de wereld in musea hangen en, eeuwen later, het culturele visitekaartje van Nederland  zijn.
En dat zijn dan vooral de middenklassers, de ‘Kleine Meesters'. 
Rembrandt zie je niet overal, Joos de Momper des te meer.

Stelling 6
Verscheidenheid brengt kunst en wetenschap tot bloei. 
Tussen 1890 en 1914 beleefde de beeldende kunst verschillende hoogtepunten naast elkaar.  Van Art Nouveau tot Avant Garde, van Naturalisme tot Futurisme. 
En het is ook de tijd van de doorbraken van Sigmund Freud, Albert Einstein en van talloze andere wetenschappers.
Er zijn daarbij totaal verschillende drijfveren en bronnen te onderscheiden. 
Impressionisten en ook Post-impressionisten als van Gogh, schilderden in feite niets bijzonders: varen in een bootje, zonnenbloemen; niet het onderwerp, maar de vertolking maakte het bijzonder.
Anderen, vooral de ‘Symbolisten' (bijv. Gauguin, Redon, Kupka, Ensor, Munch, e.v.a.) interesseerden zich juist voor de combinatie van idee en vertolking. 
En weer anderen, aanhangers van de Theosofie en Antroposofie als Malevitsch en Mondriaan, zochten het ‘kosmisch absolute' in de abstractie.

Stelling 7
Risicovol initiatief brengt kunst en wetenschap tot bloei 
De ‘Avantgarde' en het er op volgend ‘Modernisme' in de eerste helft van de 20e eeuw is van groot belang geweest voor de beeldende kunsten en haar toekomst.
Voor een deel betrof het cross-overs met niet-Europese culturen, bijv. Art Nouveau (met Japanse kunst) en Kubisme (met Afrikaanse kunst).
Voor een ander deel betrof het wat in de wetenschap ‘fundamenteel onderzoek' heet: naar compositie (Suprematisten, de Stijl), naar toepassingen van vorm en kleur (Expressionisten, Fauvisten), naar vormen van verbeelding (Surrealisten, Magisch Realisten). 
Het was een onderzoek, met veel lef uitgevoerd, naar de grenzen van het mogelijke en het heeft heel veel toegevoegd en ook verhelderd.

II: over kunst en ideologie

Stelling 8
Ideologieën kweken valse wetenschap en slechte kunst 
In het begin van de 20e eeuw ontstond het ‘Vooruitgangsdenken'. 
Dat kwam er op neer dat de vooruitgang in de samenleving (en ook in kunst en wetenschap) centraal op ideologische basis geleid en gestuurd kon worden. 
Dit denken werd kenmerkend voor de totalitaire regimes die in die tijd in Europa in opmars waren en kwam in de praktijk neer op het maken van het regime welgevallige keuzen met verwerping van al het andere.
Voorheen werden kunst en wetenschap ontwikkeld van onderaf, door kunstenaars en wetenschappers: iemand vond iets uit, anderen borduurden er op voort, inhoudelijk hield de overheid zich afzijdig.
Of, om Thorbecke voor één keer correct te citeren:
"De beoordeling van kunst en wetenschap is geen regeringszaak."
De planeconomie is geen onverdeeld succes gebleken en ook de vooruitgang in kunst en wetenschap bleef onder die regimes vrij beperkt.
Toch heeft het ‘Vooruitgangsdenken' wortel geschoten en leeft het, lang na de val van de totalitaire regimes, voort in het politieke en bestuurlijk denken in allerlei lagen en geledingen.

Stelling 9
Totalitaire ideologieën veroorzaakten een schisma in de kunst.
De periode tussen de wereldoorlogen  toont enerzijds de opkomst van totalitaire ideologieën in Europa (Communisten, Fascisten, Nationaal-socialisten) en anderzijds de toenemende vrijvechting van de kunsten, met de ‘Dada' beweging als meest vèrgaande.
De regimes reageerden daar krachtig op. 
Waar de communisten aanvankelijk het ‘Modernisme' zagen als passend in het ‘Vooruitgangsdenken' en het tot ‘Staatskunst' proclameerden, vond Josef Stalin, eenmaal aan de macht, dat het ‘te ver van het volk' stond en schakelde over naar het ‘Socialistisch Realisme'.
Ook Adolf Hitler, zelf aanvankelijk een niet al te succesvol kunstenaar, noemde het ‘Modernisme' ontaard en verwees het naar de brandstapel.
Maar in Amerika schreef Clement Greenberg  een theorie hoe vanuit het Post-impressionisme zich een geheel nieuwe kunst had ontwikkeld: het ‘Modernisme'. 
Het was een onjuiste en ondeugdelijke theorie, in feite ook een ideologie, en niet veel meer dan een aanname of standpunt, maar ze werd wereldwijd omarmd.

Stelling 10
Na-oorlogse beeldende kunst berust op niet-artistieke belangen
Na de oorlog kwam de beeldende kunst in drie verschillende vaarwaters tegelijk terecht: een politiek-propagandistisch, een kunsttheoretisch-ideologisch en een commerciëel-speculatief vaarwater, dat elkaar onderling bleek te beïnvloeden en vooral te versterken.
Sindsdien werd de ontwikkeling in de kunst gestuurd door niet-kunstenaars, met andere dan artistieke belangen.  En met twijfelachtig resultaat.

Stelling 11
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door politieke propaganda
Het politieke vaarwater heet propaganda, want we beleven dan de ‘Koude Ooorlog': een oorlog van bluf, vertoon en propaganda. 
Vanuit het Westen gezien was elke vorm van kunst die Hitler en Stalin goedkeurden ‘fout', en dat wat zij afkeurden was dus ‘goed'. 
Het klassieke ‘Realisme' was voortaan de kunst van de vijand, het ‘Modernisme' werd symbool voor de vrijheid van het ‘Vrije Westen'. 
Dit duurde tot de val van de Berlijnse muur in 1989. 
In de tussentijd was het ‘Modernisme' in het Westen verworden tot een heilig geloof, dat zich fel tegen andersdenkenden keerde.

Stelling 12
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door bekrompen ideologie
Die propaganda werd ondersteund, omdat kunsthistorici, in het verlengde van Greenberg, massaal overstapten van het historisch onderzoek naar de eigentijdse meningvorming. 
Zij ondersteunden het Modernistisch en Post-modernistisch experiment met hun theoretische bijdragen. 
En net als bij Greenberg was hier sprake van ideologische stellingname en niet van enig onafhankelijk, kritisch, theoretisch onderzoek.
En net als in het totalitaire ‘Vooruitgangsdenken' was hier sprake van acceptatie en bevordering  van in de ideologie passende verschijnselen, dit met verwerping van al het andere (‘Vooruitgang' heet hier voortaan ‘Vernieuwing').
Die theoretische bijdragen hebben de naoorlogse kunst er niet transparanter op gemaakt, althans niet voor de volle breedte van het welwillend publiek.

Stelling 13
Na-oorlogse beeldende kunst is gestuurd door winstbejag
Na de oorlog ontdekten de zgn. ‘Risicobeleggers' dat ook met eigentijdse beeldende kunst winsten van vele honderden procenten konden worden behaald (veel meer dan elders mogelijk), hetzij rechtstreeks, hetzij fiscaal.
Er waren investeerders, die met veel geld ‘grote namen' creëerden via toonaangevende galerieën (die kunstenaars onder contract hadden) en die hun investeringen vervolgens met grote winsten doorverkochten. 
Er waren anderen, die hetzelfde deden, maar die hun investeringen uiteindelijk aan musea schonken - en die de (toegenomen) waarde van die schenking dan als aftrekpost voor de belasting opvoerden.
E.e.a. drukt zich ook uit in prijzen voor moderne kunstwerken: werden die voor de oorlog nog in duizenden uitgedrukt, na de oorlog werden dat miljoenen.

Stelling 14
Propaganda, ideologie en winstbejag vormen een drie-eenheid 
Commerciële investeringen sloten naadloos aan bij de propaganda en de theorievorming, zeker waar het de theorie van de noodzaak van ‘Vernieuwing' betrof.
De durfinvesteerder sluit er op aan met het tijdelijke, het vluchtige, steeds nieuwe impulsen, die voor de kapitaalkrachtigen (met doorgaans minder begrijpelijke maar daarom des te overtuigender) theorieën werden ondersteund en waarbij de waardestijging samenhing met de presentatie in toonaangevende galerieën, musea en biennales. 
En die laatsten werden -zeker in Amerika- op hun beurt meer en meer afhankelijk van particuliere financiers.  Waarmee de machtsverhoudingen zijn gedefiniëerd.
Die ‘artistieke' durfeconomie begon in Amerika en in de jaren '60 verplaatste het ‘artistiek centrum' zich dan ook van Parijs naar New York.

Stelling 15
De tegenstelling modern versus klassiek is allang achterhaald
 
Na de ‘Val van de Muur' in 1989 verliest de tegenstelling ‘(Socialistisch) Realisme versus (Post) Modernisme' haar propagandistische  betekenis.
Terwijl in Oost-europa kunstenaars gaan experimenteren met modernistische uitgangspunten, wint in het westen het realisme weer aan betekenis.
Ook de theoretici verschuiven langzaam van de gesloten hermetiek naar de publieke interesse.
Klassiek of modernistisch, het heeft allemaal bewezen bestaansrecht. 
De enige relevante discussie gaat over de kernen van artistieke kwaliteit

III: over kunst en publiek

Stelling 16
De  ‘artistieke middenklasse' is de basis voor de bloei van de kunst.
Ooit was het volstrekt duidelijk:  er was ‘'Hogere' en ‘Lagere' kunst.
Bach, Beethoven, ze stonden ver verheven boven de deuntjes die op straat werden gezongen, hoe populair ook. 
De ‘Hogere' kunst is tamelijk complex, ze behoeft gewenning en nieuwsgierigheid, maar dan valt er ook veel te genieten. 
De ‘Lagere' kunst richt zich direct op de adrenalineklier, of het pakt het oppervlakkig sentiment. 
Het bijzondere in het naoorlogs Nederland was de opkomst van een tussenlaag, een vrij brede artistieke ‘Middenklasse' (ongeveer als in de Gouden Eeuw). 
Dit deels door overheidsregelingen als de ‘Percentage Regelingen' (opdrachten) en de Beeldende Kunstenaars Regeling (aankopen). 
Maar ook door initiatieven als de ‘Kunstuitleen' waarin een laagdrempelig contact met de bevolking werd gezocht.
Deze ‘Middenklasse' varieert van de lokale beroemdheid tot de sub-top en is uniek voor Nederland.

Stelling 17
Artistieke niveau's staan los van sociale geledingen
Het wekt geen verbazing: de ‘Lagere' kunst bereikt de grootste publieksgroep. Het is de wereld van de popmuziek, de poster, de populaire film en (vooral) de televisie.  Een miljoenenpubliek, o.a. gemeten met kijkcijfers.
Middenklasse en topkunst bereiken volgens recente onderzoeken door dagbladen (afhankelijk van de vraagstelling) ongeveer een derde tot een kwart van de bevolking (toch nog altijd miljoenen inwoners).
Het is echter een misvatting om de artistieke ‘klassen' gelijk te stellen aan sociale ‘klassen'.  Er zijn immers stratenmakers die dol zijn op opera en staatssecretarissen die vallen op popmuziek.
Leeftijd speelt ook een rol: wie op zijn 20e dol was op Dance kan op zijn 40e liefhebber zijn geworden van ballet.  Mensen kunnen zich ontwikkelen.
En tenslotte zijn er smaakverschillen. 
Wat de een in het hart grijpt kan de ander koud laten. 
Een artistieke daad van een kunstenaar kan een artistieke reactie bij een beschouwer opwekken, maar niet altijd en niet bij iedereen.
Dit onderstreept het belang van diversiteit in de kunst.

Stelling 18
Kennis van kunst is geen voorwaarde tot kunstgenot.
Er heerst een algemeen bijgeloof, dat men ‘verstand' van kunst zou moeten hebben, hoewel menigeen in de brede laag van de bevolking zal toegeven dat Mozart mooie muziek schreef, of dat Rembrandt goed kon schilderen. 
En dit zonder voorafgaande studie.
Dat bijzondere ‘verstand' is vooral vereist bij de waardering van ‘de jongste ontwikkelingen'. 
Zulke kunstwerken zijn vaak voorzien van uitvoerige toelichtingen om dit verstand nader te ontwikkelen.  Dit voorbijgaand aan de vraag of zo'n investering in kennis wel loont, want niets veroudert zo snel dan de jongste vernieuwing.

Stelling 19
De huidige kunst moet het maatschappelijk respect herwinnen.
Het belangrijkste probleem waar de ‘hogere' kunst nu onder lijdt is het imago: het verlies van respect onder de bredere lagen van de bevolking.
Oorzaak is niet zozeer het modernisme zelf: Van Gogh, Mondriaan, zelfs Karel Appel zijn vrij algemeen geaccepteerd (na een zekere incubatietijd). 
Men valt zelfs breed op de decoratieve aspecten van het modernisme, zoals haar kleurigheid en het vermogen te passen in het eigentijdse interieur. 
En ook emotioneel weet moderne kunst veel mensen te bereiken.
Oorzaak van het verlies van respect is het aanhoudend gehamer op het ‘vernieuwende' of ‘experimentele' aspect in het (post)modernisme , zoals gepropageerd door de musea en de Rijksoverheid zelve, maar in wezen gestuurd door propaganda, ideologie en speculatie.
Naoorlogse kunst is stuk-geideologiseerd en is daarmee in een maatschappelijk  isolement beland.

IV:  over kunst en kunstonderwijs

Stelling 20
Kunst berust op kunde
Ooit werd vakkennis in de kunst overgedragen op de werkplaats van een leermeester. 
Later, zeker vanaf de 19e eeuw, kwam die overdracht terecht bij de kunstacademie. Was de werkplaats van de ‘Meester' qua onderricht subjectief; op de academies streefde men naar algemene, objectief onderwijsbare, waarden.
De ‘Academie des Beaux Arts' te Parijs werd na 1815 toonaangevend voor alle kunstacademies in Europa.  
Uitgangspunt was toentertijd het zgn, ‘Classicisme' de stijl voor en rond de Napoleontische tijd, die uitging van strenge composities en van de contour, waarbinnen uiterst zorgvuldig werd gewerkt.  
Die benadering werd in de 19e eeuw een doctrine in het kunstonderwijs.
Dat ‘Classicistisch' uitgangspunt werd overigens later naar de opleiding zelf vernoemd: het ‘Academisme'.
De opleiding was streng, streefde naar de hoogste perfectie, maar was artistiek eenzijdig.

Stelling 21
Kunstenaars zetten zich graag af tegen de eigen opleiding
Kunstenaars werden vroeger in het ‘Academisme' opgeleid, maar velen stapten erna in tegenbewegingen, zoals: de Romantiek, het Realisme, het Impressionisme, het Symbolisme, het Expressionisme, het Kubisme, enz. enz. allemaal voorbeelden hoe het ook anders kan.
Voordeel was dat de artistieke verscheidenheid werd blootgelegd.
Ander voordeel was dat die kunstenaars toch allemaal wel een gedegen opleiding hadden gehad, wat aan de kwaliteit van hun werk valt af te lezen.

Stelling 22
De ontmanteling van het klassieke kunstonderwijs was onterecht
De ontmanteling van het ambacht en de teloorgang van het Academisch kunstonderwijs vond plaats vanaf de jaren '50. 
Dat het Academisme in het kunstonderwijs zichzelf had overleefd is evident. 
Het was een rigide en eenzijdige vorm van onderwijs, waarnaast allang bekend was dat er heel andere benaderingen mogelijk en legitiem waren.
Maar wat er voor in de plaats kwam hield niet bijster over.
Er bleken met het afschaffen van het Academisch onderwijs nogal wat kinderen met het badwater te zijn weggegooid: de pretenties werden weliswaar steeds hoger, maar de uitwerking steeds onbeholpener.
Onkunde werd zelfs een onderwijscriterium.

Stelling 23
Gevoel is geen onderwijsdoel
Aanvankelijk, in de jaren 50 en 60 mikte het kunstonderwijs op ‘het gevoel'. 
Vakkennis zou de onbevangenheid van dat gevoel alleen maar in de weg staan.
Het was een benadering die aan kleurige vlekken en een driftig handschrift een bijzondere emotionaliteit toeschreef, die vanzelf op de toeschouwer zou worden overgedragen. 
Het werd massaal door de toen opkomende amateuristische kunstbeoefening  geadopteerd onder de term ‘Vrije Expressie'. 
Reden voor het Kunstonderwijs om andere wegen in te slaan. 
Temeer omdat al doende niet duidelijk werd hoe ‘emotie' onderwezen kon worden.

Stelling 24
Idee is geen onderwijsdoel
Vanaf de jaren 70 stelde het kunstvakonderwijs het idee of concept centraal. 
Op zich geen nieuw thema in de kunst, zij het dat in het verleden meer aandacht werd besteed aan de samenhang met de vertolking. 
En die vertolking is vandaag de dag in het algemeen niet erg overtuigend.
Dit vooral omdat in het kunstonderwijs het primaat bij het concept wordt gelegd: de uitwerking is van ondergeschikt belang. 
Alweer wordt vakkennis als een belemmering gezien, althans overbodig, hoewel het er ook aan kan liggen dat inmiddels generaties kunstdocenten aan bod zijn die zelf nooit een gedegen opleiding hebben gehad.
En ook hier is het de vraag of idee-vorming wel een uniek onderwijsdoel is. 
Er is immers ooit veel fraaie kunst gemaakt waarin het idee geen enkele rol speelde (bv. Impressionisme), of waarin het idee al bij voorbaat vaststond (bv. religieuze kunst)

V: over  kunst en kunstpolitiek

Stelling 25
De ontmanteling van de artistieke ‘middenklasse' is onterecht
De recente aanval van de Rijksoverheid op de kunsten treft vooral de artistieke middenklasse en wel op 3 fronten:
Subsidiestop (die treft vooral de podiumkunsten, waarmee een brede en fijnmazige infrastructuur wordt vernietigd; het zal tientallen jaren duren om die opnieuw op te bouwen, als het ooit nog lukt).
BTW verhoging (die frustreert de markt en treft vooral die groep beeldende kunstenaars die met enige moeite, maar vol enthousiasme, de eigen broek op wisten te houden. De markt zal worden overgenomen door de grote grijze onderlaag van amateurs en minder getalenteerden - die niet BTW-plichtig zijn).
De opheffing van de WWIK, een ‘aanloopregeling' waarin beginnende kunstenaars een paar jaar de kans krijgen om een beroepspraktijk op te bouwen.
De aanval is op dit moment heftig en finaal, maar is in feite al tientallen jaren gaande. 
Wat vanaf de jaren 40, in idealistische tijden, is opgebouwd, is vanaf de jaren 80, in materialistische tijden, onder druk gezet en stukje bij beetje afgebouwd.

Stelling 26
Het kunstbeleid van de Rijksoverheid berust op foute uitgangspunten
Er is een fundamenteel verschil in de interesse voor kunst tussen de Rijksoverheid en de ‘Lagere' overheden.
De laatsten staan vrij dicht bij het volk, en ook bij de kunsten en hun interacties. Ze zien wat er zoal gebeurt en willen meestal graag meewerken. 
In feite staat het dicht bij de ‘artistieke middenklasse'.
De Rijksoverheid heeft abstracter ideeën en -vooral - andere belangen.
Dat belang komt neer op het verlangen  ‘voor vol aangezien te worden in de ogen van de rest van de wereld'.
Op het oog een mondiaal, maar in wezen een provinciaal uitgangspunt.
De enige relevante beleidsvraag zou moeten zijn: 
"Hoe brengen we de kunst en wetenschap tot bloei?"
Maar zo'n vraag wordt in de politiek nooit gesteld.

Stelling 27 

Het ministerie van cultuur is de natuurlijke vijand van de kunsten
De Rijksoverheid, in het bijzonder het ‘Ministerie van Cultuur' is in werkelijkheid de natuurlijke vijand van de kunsten: het kiest uitsluitend voor het topsegment en wel voor de uitstraling ervan: voor glossy en effect. 
Scoren in de buitenlandse pers, glimmen op internationale manifestaties. 
Kortom, de buitenkant: een artistieke doodzonde.
Tenminste vanaf de jaren '70 beijvert het ministerie van Cultuur zich om alles wat van onderaf wordt opgebouwd, van bovenaf weer af te breken.

VI:  over kunst en oorsprong

Stelling 28  
In de kunstgeschiedenis rekent elke eeuw af met de voorgaande
Gerard de Lairesse schimpt rond 1700 in zijn ‘Groot schilderboek' op de ‘dreckige kleuren' (de strontkleuren) van zijn leermeester Rembrandt.
De 20e eeuw had geen goed woord over voor de 19e. 
En zo verzet iedere eeuw zich tegen de voorgaande (als pubers tegen hun ouders). 
Na ongeveer een eeuw van afkeuring volgt dan de herwaardering (en die is nu volop aan de gang aangaande de 19e eeuw).

Stelling 29
Wanneer de kunst vastloopt, wordt teruggegrepen op haar oorsprong
De kringloop van artistieke inzichten is een historisch gegeven:
De ‘Renaissance' greep terug op de kunst van de Antieken; zij ontwikkelde zich via Manierisme en Barok tot Hoogbarok en daar liep het spoor dood. 
De volgende fase, het ‘Classicisme' greep ook weer terug op de kunst van de Antieken, en verwekte later een veelvoud van stijlen naast elkaar, via het zuiver individuele idioom van schilders als Pablo Picasso of Francis Bacon tot aan de naoorlogse ‘ideologische' kunst.
Het (Post)modernisme is haar beurt vastgelopen, valt in herhalingen, is ongeïnspireerd. 
Alleen vanuit de ‘nieuwe media' komen er nieuwe impulsen, maar opvallend genoeg hebben die veel meer aan de klassieke vaardigheden en  technieken, dan aan de ideologieën van de 20eeeuw.

Stelling 30
De tijd is rijp voor de wedergeboorte van de kunst
.
Voor herstel van het klassieke ambacht, de vaardigheden, de know-how.
En voor herstel van contact met het publiek en herstel van de artistieke middenklasse, want alleen vanuit die basis is herstel van artistiek onderzoek en ontwikkeling  mogelijk.


27-12-2011            Tom S. Hageman

 

De 'Renaissance in het Noorden' is een initiatief van de Klassieke Academie © 2005-2017 - site by MartiniStad